vrijdag 19 augustus 2011

Kikker

Het is druk in de stad vandaag. Veel mensen, bussen, motors. Er wordt gewerkt aan het gebouw tegenover het perron waar ik op de trein sta te wachten. Boren, radio's en gepraat.
Dan, als ik denk dat alle drukte me te veel wordt hoor ik achter me iets ritselen. Een kikker zoekt zijn weg tussen een hoopje bladeren. En kijkend naar die kleine kikker wordt alles even stil...

vrijdag 12 augustus 2011

Gras


Een zomerzucht. Het is heerlijk warm en ik lig in het gras. Uitgestrekt dromend lig ik op mijn rug om de parade aan dieren en voorwerpen uit mijn fantasie langs te zien zweven, om vervolgens midden in de vlucht in iets anders te veranderen. Een konijn danst zich tot een pinguin. Een boek vlindert in een vogel.
Dan verlegt een gekriebel in mijn nek mijn aandacht. Een tor dacht een goede schuilplaats gevonden te hebben, maar hij is verstrikt geraakt in mijn haar. Hij is een beetje in paniek. Verstoppertje is spannend, maar het moet wel leuk blijven. Ik ga overeind zitten en bekijk mijn gevangene. Hij is blauw zwart en houdt zich stil als ik hem voorzichtig losmaak en op een blaadje zet. Ik draai me op mijn buik en kijk langs het beestje over de toppen van het gras. Wat een uitzicht. Een zee van groene juichende armpjes die een onhoorbare diskjockey aanmoedigen. De tor is intussen in de groene menigte opgenomen. Twee citroenijs-gele vlinders spelen tikkertje en ze lijken puur zonlicht te knipogen.
Het gras kriebelt langs mijn armen en gezicht en ook een beetje in mijn neus. Onmetelijk ver weg lijken de grenzen van mijn tuin. Nog voorbij die grote bomen.

Maar waarom zou ik de grens nu willen weten? Ik wil hier helemaal niet weg.

maandag 8 augustus 2011

Dansen op straat

Waarom doen mensen dat eigenlijk niet zo vaak? Ik dans wel eens op straat. Vaak gewoon als ik een liedje in m'n hoofd heb of een nieuw nummer op de Ipod. Dansen hangt bij mij niet af van het weer, want ik dans ook als het regent, of als de zon schijnt. Maar mijn uitbundigheid hangt wel af van of er mensen in de buurt zijn. In een lege straat spring ik vrolijk mee, terwijl ik op de markt meer in een ritme loop en m'n hoofd alleen meebeweeg.

Blijkbaar valt dansen voor mij in de categorie 'raar'. Soms spelen er straatmuzikanten, en soms spelen ze heel goed en dansbaar. Toch staan toehoorders vaak stil te luisteren. De muzikant is de kunstenaar. Zou een straatmuzikant het eigenlijk mooi vinden als mensen spontaan mee beginnen te dansen? Of zou de muzikant zich storen aan het feit dat het dansen misschien niet in het goede ritme is?

In Argentinie schijnen mensen spontaan een tango te beginnen. In Nederland is de enige vorm van dans waar mensen spontaan voor te porren zijn de polonaise. En, laten we eerlijk zijn, ook de meest a-charmante dans die er bestaat.

Maar waarom is dansen dan 'raar'? Zelfs in disco's worden uitbundige dansers, tenzij profesioneel, afgedaan als uitslovers. Stiekem denk ik dat de mensen die anderen voor uitslovers uitmaken jaloers zijn op het gebrek aan gêne van dansers.

Misschien kan je een gebrek aan gêne trainen. Door zo gek mogelijk te dansen. Eerst thuis, dan na een paar keer tijdens een feestje, of gewoon op je werk :)



Misschien zal ik het ooit wel durven:)


vrijdag 18 februari 2011

stil

ik zou nu willen praten: over koetjes en kalfjes en het weer en wat een file onderweg en heb je nog iets leuks gelezen en ik heb afgelopen weekend lekker niets gedaan en ik ga komend weekend wandelen, zwemmen, eten met vrienden en lang uitslapen omdat ik daar zo aan toe ben.
ik wil vertellen dat het goed met me gaat en dat we prima vrienden kunnen blijven en drankjes kunnen drinken en dat PSV misschien weer kampioen gaat worden en dat het mooie tijden waren toen AZ nog won en dat het goed gaat met mijn studie.
ik wil je vertellen over mijn vissen en hoe er een al binnen een dag dood is gegaan en dat zijn lippen helemaal wit waren en hij al een beetje langzaam zwom en toen plotseling dood was en ik twijfelde of ik de wc wel door moest trekken omdat ik dat kleine oranje visje zo schattig vond in die grote pot.
ik wil je vertellen over mijn project om gedichten en tekeningen te verspreiden in de stad en ze op fietsen, auto’s en voordeuren te plakken om mensen zomaar aan het lachen te maken, of vertederd, geraakt.
ik zou je alles en alles vertellen. ik wil niet niets tegen je zeggen nu, omdat ik bang ben dat je boven mijn ademhaling uit mijn hartslag hoort.

woensdag 16 februari 2011

Art




Soms kunnen anderen jouw gedachten nog net iets beter verwoorden. Voor meer moois van Tanya Davis, zie www.tanyadavis.ca

donderdag 29 juli 2010

Tijd

Het is donderdagmiddag 14.29 en na verscheidene pogingen mijn prioriteiten elders te leggen geef ik het even op en schrijf ik. Gewoon, een klein tijdje spelen met dat rekbare begrip. Of, wat tijd vermorsen.
Einstein haalde weleens leuk aan dat de tijd relatief was. Gespendeerd met een mooi meisje zou de tijd immers veel sneller voorbijgaan dan als je je hand vijf seconden op een gloeiende plaats zou moeten houden.
Ik weet het niet. Tijd is voor mij alles en tijd is voor mij niets.
Ik ben tijd. Ik verlies tijd. Tijd verliest mij. Ik ben in de tijd verloren.
Vorige week las ik in drie dagen de trilogie van The Lord is of the Rings. Doordat ik drie dagen niets anders deed dan lezen heb ik drie dagen tijd verloren. Anderzijds voelt het alsof ik die odyssee naar mount Doom in afzienbaar korte tijd heb afgelegd..
Mijn fantasie is blijkbaar niet aan tijd gebonden. Het ontkend tijd.
Vanmorgen was ik bij de slager. Ik bestelde vlees voor op de barbecue, en terwijl ik dat deed begon het lotjes apparaat te piepen. Blijkbaar was er een kleine storing opgetreden. Na mijn bestelling kocht ik bloemen en liep ik een rondje door het park. De zon was al op en ik voelde de warmte op mijn gezicht schijnen. De vogels zongen, maar ik stoorde mij steeds meer aan hun gepiep. Eenmaal thuis was er al zoveel tijd verstreken dat het me wijs leek op te schieten om op tijd op mijn werk te zijn. Het vervelende gepiep van de lotjesmachine en de vogels vervormde langzaam naar het gepiep van mijn wekker.
Zonder dat ik het zelf doorhad, en tot mijn eigen verbazing had ik tegelijkertijd al heel veel, en helemaal niets ondernomen op deze donderdagochtend, hoewel de prestatie genoemd moet worden dat ik een kwartier door een piepende wekker heb heengedroomd.
Het is donderdagmiddag 15.00 en ik ben weer terug op mijn werk. Het nieuws voor voorgelezen op de radio en ik ben tegelijkertijd in de UB, en op de plaatsen in het nieuws genoemd, maar vooral ook in mijn ouderlijk huis op verschillende flardes van de tijd. De reden hiervoor is de muziek die Radio 4 voor ons geselecteerd heeft. De Fruhlingsonate van Beethoven laat mij weer negen zijn, bovenaan de trap terwijl ik niet kan slapen en mijn pa de piano tot leven brengt.
Toen ik negen was, was 27 jaar ontzettend oud, maar nu, een maand voor mijn 28e, ben ik negen en elke leeftijd daartussen.
Het is 15.30 Ik ben weer in de UB. En ik ga zo surfen.
Bijtijds.

dinsdag 11 mei 2010

Fiets.

Ik ben een Nederlander. Natuurlijk, ik doe soms als of het niet zo is. Vooral als mensen me een krantenabonnement willen aansmeren, de kindjes in weet-ik-veel-waar geld nodig hebben voor hun weeshuis of als men mij op een andere manier lastig valt. Dan maak ik heel handig gebruik van mijn in Tennessee opgedane “Southern accent”, zodat ze me met rust laten, maar over het algemeen ben ik een echte Nederlander. Ik houd van kaas, hagelslag en bitterballen.
Oh ja, en ik fiets. Mijn fiets en ik zijn goede maten. Ik dicht mijn fiets van nu geen persoonlijkheid meer toe, maar, het woordje “meer” verraadt het al, ik had vroeger namelijk een hele goede vriend. En dat was een fiets. Piet. Piet de fiets was mijn eerste fiets. Mijn eerste eigen fiets. Ik had daarvoor ook een fiets, maar die was vies oranje met zwarte handvaten. Maar Piet was tof. Piet was namelijk rood en had witte handvaten. Bovendien was het zadel en de kettingkast ook wit. Piet was mooi en Piet was van mij, zonder dat hij eerst van mijn broer geweest was. Ik weet nog dat wij altijd de wereld gingen redden. De wereld was op dat moment onze achtertuin. En al racend over de heuvels en door het mos bestreden wij de kwade monsters die de wereld wilden verwoesten, een arm stel kraaien dat naar wormen zocht. Maar elke keer slaagden Piet en ik erin de wereld te behoeden voor naderend onheil. Piet ging ook mee naar school en dat was geweldig, vooral als het geregend had. De strijd tegen de slechteriken ging er toen om zo hard mogelijk door de regenplassen te scheuren, want dan kwam het water in de bosjes terecht en zouden de planten niet uitdrogen. Piet was mijn held en mijn maat.
Ik heb nu geen flauw idee wat er met Piet is gebeurd. Ik kreeg een nieuwe fiets, waarschijnlijk omdat ik op zeker moment met mijn knieën tegen het stuur aankwam. Ik heb inmiddels in verschillende steden gewoond en ben tien fietsen verder. Mijn fiets van nu is degelijk en statig. Ik fiets elke dag naar het station en weer naar huis. Ik werk, ben volwassen en serieus. En met een rotgang scheur ik vandaag weer door een regenplas. Uit nagedachtenis aan Piet.